Nieuws

MvA: Raad van toezicht ondernemingspensioenfondsen

27-09-2017

Bron: Memorie van Antwoord van de Verzamelwet Pensioenen 2017 (25 september 2017)

Klik hier voor de volledige Memorie van Antwoord.

In de op 25 september 2017 verschenen Memorie van Antwoord Verzamelwet Pensioenen 2017 heeft de regering antwoord gegeven op een aantal vragen van de CDA-, PvdA-, en D66 fracties. Interessant en lezenswaardig.

Vraag: De leden van de CDA-fractie lezen dat in de Verzamelwet wordt voorgesteld dat de jaarlijkse, externe visitatiecommissie bij ondernemingspensioenfondsen met meer dan 1 miljard vermogen wordt afgeschaft. De regering heeft er, aldus deze leden, voor gekozen om liquiderende ondernemingspensioenfondsen met meer dan 1 miljard aan vermogen niet uit te zonderen van de verplichting om een raad van toezicht in te stellen.

Bij de wetsbehandeling is hiervoor het argument gebruikt dat liquidatieprocessen lang kunnen duren.

Deelt de regering de mening dat multi-ondernemingspensioenfondsen met een bij wet vastgestelde uiterlijke liquidatiedatum van 31 december 2020 per definitie ontzien zouden kunnen worden, omdat vaststaat dat het liquidatieproces niet lang, dus tot na die datum kan duren? Is de regering bereid om er bij de toezichthouder op aan te dringen dat multi-ondernemingspensioenfondsen worden ontzien? Is zij bereid dit ook te doen voor alle ondernemingspensioenfondsen die geraakt worden door de maatregel en op een vergelijkbare korte termijn liquideren?

Vraag: De leden van de PvdA-fractie achten het onnodig dat liquiderende ondernemingspensioenfondsen aan deze nieuwe eis van een raad van toezicht moeten voldoen. Ziet de regering mogelijkheden om deze specifieke groep fondsen te ontzien? Daarbij achten deze leden het denkbaar dat een dergelijke mogelijkheid wordt opengesteld voor fondsen die feitelijk een liquidatiebesluit hebben genomen waarin liquidatie binnen een periode van maximaal drie jaren is voorzien. De motie-Van Rooijen met een minder expliciete tijdsafbakening is in de Tweede Kamer verworpen. Hoe beoordeelt de regering een dergelijke termijn?

Antwoord: Voorop staat dat de regering een sterk intern toezicht voor alle fondsen van belang vindt, zeker als het fondsen betreft met een groot belegd vermogen. Dit is tevens de reden dat ik graag voldoe aan de toezegging aan de Eerste Kamer om ook voor ondernemingspensioenfondsen met een paritair of onafhankelijk bestuursmodel een raad van toezicht verplicht te stellen. Formeel zijn daarom ook op liquiderende fondsen en multi-ondernemingspensioenfondsen alle verplichtingen van toepassing. De Nederlandsche Bank (DNB) gaat hier in de praktijk mee om op een wijze die past bij de specifieke situatie en de toekomstplannen van een fonds. Voor fondsen die in liquidatie zijn betekent dit dat als het besluit tot liquidatie is genomen en er een melding van een collectieve waardeoverdracht is gedaan en liquidatie dus binnen afzienbare tijd kan worden verwacht, DNB reden heeft coulant te zijn. Indien slechts sprake is van een voornemen tot liquidatie, is de verplichting onverkort van toepassing. Voor multi-ondernemingspensioenfondsen geldt een wettelijk vastgestelde termijn waarop zij ophouden te bestaan.

De regering is het met de CDA fractie eens dat het niet voor de hand ligt dat deze multiondernemingspensioenfondsen voor korte termijn een raad van toezicht instellen. DNB zal worden gevraagd met de fondsen in gesprek te gaan over een passende vorm van toezicht. Het betreft op dit moment overigens nog slechts twee multi-ondernemingspensioenfondsen met een belegd vermogen van meer dan € 1 miljard.

Vraag: De leden van de fractie van D66 hebben geconstateerd dat de regering met de invoering van een raad van toezicht-model voor ondernemingspensioenfondsen niet heeft willen wachten op de evaluatie van De Nederlandsche Bank van de thans vigerende visitatiecommissies. Kan de regering aangeven waarom zij dat niet gedaan heeft? En is het juist dat in het voorstel van de regering de in te stellen raad van toezicht geen betrokkenheid zal hebben bij benoeming en ontslag van bestuursleden? Zo ja, kan de regering dan toelichten waarom zij deze in de ogen van deze leden wezenlijke bevoegdheid niet zou willen toekennen?

Antwoord: Dit betreft de uitwerking van een toezegging aan uw Kamer. Ook ondernemingspensioenfondsen beheren het geld van deelnemers. Met de Eerste Kamer was en is de regering van mening dat hier een kwalitatief sterk toezicht bij hoort en dat het wenselijk is dat alle pensioenfondsen op termijn een raad van toezicht krijgen. Immers, een raad van toezicht biedt een breder toezichtsinstrumentarium. Er is geen reden om deze verplichting nog langer uit te stellen. Alleen voor kleine fondsen, met een belegd vermogen van minder dan € 1 miljard, maakt de regering vooralsnog een uitzondering in afwachting van de evaluatie. Onderdeel van het toezichtsinstrumentarium is de rol van de raad van toezicht bij benoeming en ontslag van bestuursleden. De bevoegdheden van de raad van toezicht bij ondernemingspensioenfondsen zijn hetzelfde als die nu gelden voor de raad van toezicht bij bedrijfstakpensioenfondsen. Dit betekent dat ook raden van toezicht bij ondernemingspensioenfondsen bevoegd zijn om bestuurders te schorsen en te ontslaan wegens disfunctioneren, alsmede om een benoeming van een kandidaat-bestuurder te beletten als deze niet voldoet aan de profielschets.

Dit volgt uit artikel 28c van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling. Kortom, het wetsvoorstel wijzigt slechts de reikwijdte van de verplichting om een raad van toezicht in te stellen.

De bevoegdheden van de raad van toezicht worden niet gewijzigd.

Vraag: De leden van de PvdA-fractie stellen met instemming vast dat in de Verzamelwet voor de ondernemingspensioenfondsen de verplichting is opgenomen om een raad van toezicht in te stellen. Dit betreft een toezegging van regeringswege waar de Eerste Kamer zich sterk voor heeft gemaakt bij de behandeling van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen. Deze leden plaatsen echter een kanttekening bij het hanteren van een ondergrens voor het beheerd vermogen van fondsen waarvoor deze verplichting geldt. Ook DNB geeft in haar toezichttoets aan geen goede gronden te zien voor een beperking van die verplichting. Juist kleinere pensioenfondsen hebben in de praktijk moeite met de toegenomen complexiteit van de omgeving waarin fondsen zich bewegen en zijn dus gebaat bij een versterking van het intern toezicht.

DNB geeft aan dat het in zijn algemeenheid niet zo is dat de complexiteit in de besluitvorming en de daaraan verbonden risico’s toenemen naarmate het beheerd vermogen groter is en dat de voordelen van een raad van toezicht boven een visitatiecommissie dus ook opgaan voor kleine ondernemingspensioenfondsen. Deze voordelen zijn dat een raad van toezicht op continue basis opereert en dat vraagstukken aldus aan de orde worden gesteld op het moment dat zij actueel zijn, continuïteit kent in de samenstelling, en niet door het bestuur terzijde kan worden geschoven indien de raad zich kritisch opstelt.

De motivering van de regering dat er voor is gekozen om deze verplichting niet aan alle ondernemingspensioenfondsen op te leggen vanwege de administratieve lasten voor de kleinere ondernemingspensioenfondsen, komt de leden van de PvdA-fractie als weinig overtuigend voor. Immers, de kosten voor een raad van toezicht komen in de plaats van de anders jaarlijks te maken kosten voor een visitatiecommissie. Ten behoeve van de behandeling van het voorliggende wetsvoorstel zijn de kosten van een raad van toezicht becijferd op 25.000 euro per jaar, terwijl voor de kosten van een jaarlijkse visitatie met 20.000 euro per jaar wordt gerekend.

Is de regering het met deze leden eens dat een raad van toezicht een wezenlijk ander en in potentie aanzienlijk krachtiger instrument is ten behoeve van het interne toezicht dan een visitatiecommissie? En deelt de regering de mening dat de extra administratieve lasten ten opzichte van het vigerende model uitermate beperkt zijn? Is de regering bereid artikel I onderdeel K op dit punt bij de eerstkomende gelegenheid aan te passen, zodat ook de kleinere ondernemingspensioenfondsen hier alvast rekening mee kunnen houden?

Vraag: De leden van de PvdA-fractie stellen dat de raad van toezicht een wezenlijk ander en in potentie krachtiger instrument is ten behoeve van het intern toezicht dan de visitatiecommissie. De toezichtstaak van een raad van toezicht is verdergaand ingericht dan bij een visitatiecommissie. Naast de genoemde bevoegdheden bij benoeming en ontslag van bestuursleden heeft een raad van toezicht specifieke goedkeuringsrechten. Een raad van toezicht is daarnaast een permanent orgaan: zij hebben eigen vergaderingen en treden minstens twee keer per jaar in overleg met het bestuur van het pensioenfonds. Een visitatiecommissie voert één keer per jaar een visitatie uit.

Antwoord: De regering is het dan ook met de leden van de PvdA-fractie eens dat de raad van toezicht een wezenlijk ander instrument is en in potentie krachtiger dan een visitatiecommissie. Dit is ook de reden dat zij graag uitvoering geeft aan de toezegging aan de Eerste Kamer om ook voor ondernemingspensioenfondsen met een paritair of onafhankelijk model een raad van toezicht in te richten. Alleen voor kleine fondsen wordt vooralsnog een uitzondering gemaakt en wordt de evaluatie afgewacht.

Deze evaluatie biedt de mogelijkheid te onderzoeken of dit andere instrument ook voor kleine fondsen een krachtiger instrument is of dat deze zijn doel voorbij schiet. De structurele toename in administratieve lasten, hoe beperkt deze ook ogen – zoals de leden van de PvdA-fractie opmerken – wordt hierbij in ogenschouw genomen. Als uit deze evaluatie blijkt dat een raad van toezicht ook voor kleine fondsen een krachtiger en beter functionerend instrument is, is de regering zeker bereid vervolgens de verplichting hier naar uit te breiden.

Overigens worden kleine ondernemingspensioenfondsen aangemoedigd om reeds over te stappen naar een raad van toezicht. Enkele fondsen met een belegd vermogen van minder dan € 1 mld. hebben dit inmiddels gedaan. De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat de in december 2015 door de Eerste Kamer aangenomen Wet algemeen pensioenfonds tot doel heeft om de uitvoering van pensioenen efficiënter te maken. Bij de eerder genoemde Wet versterking bestuur pensioenfondsen is echter voor het onafhankelijk bestuursmodel bepaald dat het bestuur en de raad van toezicht verantwoording moeten afleggen aan het belanghebbendenorgaan. Voor een algemeen pensioenfonds betekent dit dat een dergelijk belanghebbendenorgaan per kring aangehouden dient te worden en dat het bestuur en de raad van toezicht aan elk van deze organen verantwoording verschuldigd is.

Vraag: De leden van de PvdA-fractie vragen de regering of dit niet doelmatiger kan worden ingericht, bijvoorbeeld door een Kring Overstijgend Medezeggenschapsorgaan in te richten bestaande uit de voorzitters van de diverse belanghebbendenorganen en de genoemde verantwoordingsplicht daar neer te leggen. Dit maakt het ook mogelijk om fondsbreed beleid in gezamenlijkheid, dus met alle belanghebbendenorganen gelijktijdig, te bespreken. De huidige Wet algemeen 6 Besluit van 23 december 2015 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet algemeen pensioenfonds en de Wet van 23 december 2015 tot wijziging van de Wet algemeen pensioenfonds (Stb. 550) (Stb. 551, 2015). pensioenfonds voorziet niet expliciet in deze mogelijkheid. Is de regering bereid dit middels een richtinggevende uitspraak dan wel bij eerstkomende gelegenheid mogelijk te maken?

Antwoord: Met het amendement Lodders is voor een algemeen pensioenfonds met meerdere belanghebbendenorganen voorzien in de mogelijkheid om die belanghebbendenorganen samen te voegen ten einde de bestuurlijke lasten nog verder te beperken.